Enquête resultaten

Van 30 januari tot en met 13 februari 2019  is door ruim 23.000 mensen een enquête ingevuld. De enquête ging over de verdeling van sociale huurwoningen van corporaties (met een huur tot €720,- ) in de 15 gemeenten. Het waren tien vragen over wie voorrang mag krijgen op een sociale huurwoning en hoe deze woningen toegewezen moeten worden. De belangrijkste conclusies staan hieronder.

 

BELANGRIJKSTE CONCLUSIES UIT DE ENQUÊTE

  • De antwoorden op de vraag naar het beste volgordecriterium geeft geen overtuigend eenduidig beeld. Een derde van alle respondenten noemt punten op basis van objectieve criteria het beste volgordecriterium. Inschrijfduur is een paar procentpunten minder populair (30%) en zoekduur wordt door 20% van de respondenten genoemd. Voor loten is weinig draagvlak.

 

  • Leeftijd is bepalend bij de antwoorden welke volgorde we moeten hanteren bij inschrijving. Bij jongeren is zoekduur het vaakst genoemde volgordecriterium, bij ouderen is dat inschrijfduur. Op de vraag wat de respondent van inschrijfduur vindt, geeft van de jongeren maar 11% aan dat het een goede manier van verdelen is, bij de ouderen is dat meer dan een derde. De percentages mensen die een puntensysteem het beste volgordecriterium vinden zijn voor de leeftijdsgroepen ongeveer gelijk.

 

  • Voor het te goedkoop wonen (9%), een baan hebben in de regio (9%) en ruzie met de buren (5%) is als voorrangsgroep weinig draagvlak onder de respondenten.

 

  • Er is draagvlak om woningen te reserveren voor huishoudens die deze woning hard nodig hebben. Dit laten de respondenten zien in de verdeling van woningen naar gewone woningzoekenden en mensen die het hard nodig hebben. Op de vraag voor wie woningen apart gehouden moeten worden geeft meer dan de helft aan dat voor huishoudens in een noodsituatie woningen apart gehouden moeten worden. Hierbij is bijna geen verschil tussen groepen. Gezinnen geven wat vaker aan dat woningen voor gezinnen apart gehouden moeten worden, en ouderen voor ouderen, maar dit levert geen heel ander beeld op.

 

  • Mensen die de woning hard nodig hebben, en dus voorrang moeten krijgen, zijn volgens de respondenten situaties waar kinderen bij zijn betrokken. Veel draagvlak is er voor scheiding met kinderen, inwonende gezinnen met kinderen en voor jongeren die problematisch thuis wonen.

 

  • Meer dan de helft van de respondenten vindt het geen optie dat huishoudens met voorrang een woning met een tijdelijk contract, of een onzelfstandige woning toegewezen krijgen. Toch vindt ook 39% dit wel een optie. Bij jongeren, die moeilijker toegang hebben tot de woningmarkt, is hier meer draagvlak voor.

 

  • Er is ook veel draagvlak voor het geven van regionale voorrang onder de mensen uit de regio.

 

  • Een heel klein deel van de respondenten geeft aan dat het weigeren van woningen waarop gereageerd is, geen optie mag zijn. Voor dit volledig verbieden is dus geen draagvlak. Voor het beperken van weigeren is wel veel draagvlak.